Bij weigering de bewijsregels

BIJ WEIGERING VAN REDELIJKE AANPASSINGEN:


DE BEWIJSREGELS


Art. 28 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie bepaalt het volgende: "Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie op grond van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest."


Art. 36. § 1 van het Decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid: "Als een persoon of een van de instellingen, organen of verenigingen, vermeld in artikelen 40 en 41, in een burgerrechtelijke procedure voor een bevoegd gerecht de schending inroept van dit decreet en feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten laste van de verweerder."


Hier vindt dus telkens een wettelijke omkering van de bewijslast plaats.


Inzake "redelijke aanpassingen" expliciteert A. D' Espallier het volgende:e(cf. A. D' Espallier, Redelijke aanpassingen, evenredigheid en de rol van de rechter, 2016, Die Keure):


"De verzoekende partij dient te bewijzen dat hij/zij een persoon met een beperking is en dat een prima facie redelijke aanpassing beschikbaar is. Het is hierbij niet vereist dat de proportionaliteit van de aanpassing onomstotelijk vaststaat." (p.266)


"Als hij de veroordeling wil vermijden, zal de verweerder vervolgens trachten aan te tonen dat de gevraagde redelijke aanpassingen zouden leiden tot onevenredige belasting. Als een zaak op deze basis beoordeeld moet worden, moet de verwerende partij op samenhangende wijze aantonen dat de balans overslaat in het nadeel van de aanpassingen. Deze bewijslast is zwaarder dan de last die gedragen wordt door de verzoeker omdat de verweerder geacht wordt gemakkelijker toegang te kunnen krijgen tot de relevante gegevens omtrent de kostprijs van de aanpassingen en de beschikbare middelen" (p.164)


"Heel vaak zal hij hiervoor inzage moeten bieden in zijn persoonlijke financiële of organisatorische situatie." (p. 266)


"De beoordeling gebeurt in zeer grote mate met inachtneming van de details van de zaak. Wanneer de onevenredige belasting bijvoorbeeld steunt op financiële overwegingen moet bewijs geleverd worden van de uitgaven. Als de rechter niet geïnformeerd wordt over de exacte uitgaven, dan gaat hij ervan uit dat deze onbestaande zijn." (p. 164)